Het modernisme

Tegen de gevestigde waarden

Opkomst van het modernisme eind 19e eeuw

De principes van de modernistische bouwstijl hebben hun oorsprong in de gelijknamige internationale cultuurstroming. Eind negentiende eeuw ontstond deze beweging als een reactie op traditionele opvattingen binnen de kunsten. De modernisten stonden kritisch tegenover de gevestigde waarden. Zij streefden naar een vernieuwing van de kunstvormen en zelfs van de samenleving. Voordien ging er veel aandacht naar het esthetische karakter van kunst en architectuur. Daarbij stonden een realistische weergave en hoge verfijningsgraad synoniem voor schoonheid. Ruimte en leefkwaliteit waren ondergeschikt aan het ornamentele aspect van een gebouw. Met het modernisme kwam daar verandering in. Men kreeg meer oog voor expressie, abstracte en functionele vormgeving. Ook binnen de wetenschappen stelden domeinen zoals de sociologie en stadsplanning het menselijk functioneren centraal. Kortom, deze stroming voorzag een optimistische toekomst en had hierbij de universele mens als ideaalbeeld. Kenmerkend zijn het creëren van een universele beeldtaal en het loslaten van al dat overbodig leek.

Deze nieuwe manier van denken vond ook zijn weerklank in de architectuur en in de stedenbouw. De industrialisering en de technologische vooruitgang betekenden immers een stijging van de welvaart en een nieuw aanbod van materialen en methodes. Naast gewapend beton, gietijzer en staal kwamen er kunststoffen zoals bakeliet ter beschikking. Dit maakte dat er anders en grootser gebouwd kon worden. Tegelijk steeg de nood aan nieuwe vormen van infrastructuur en wonen, die voldeden aan de nieuwe geïndustrialiseerde maatschappij. Het urbanisme bijvoorbeeld, als nieuwe specialisatie, moest instaan voor een betere stedelijke omgeving. Stedenbouwkundige planning werd gezien als een middel om tot harmonie te komen onder de mensen, die de ontplooiing van het individu wist te verzekeren.

H.C Andersen en E.M. Hébrard. Ontwerp van een internationale geplande stad: ‘World Center of Communication’, 1912. Canadian Centre for Architecture, Montreal.

Groot voorvechter van vernieuwde verstedelijking was de Brit Patrick Geddes.
Hij pleitte zelfs voor een geherstructureerde wereld op basis van zorgvuldig geplande steden en een wereldregering.
Patrick Geddes (1854-1932)
Bioloog, socioloog en stadsplanner

Less is more!

Enkele principes van de modernistische architectuur

Typerend zijn de strakke lijnen en grote vlakken in een ontwerp. Samen met eenvoudige materialen geeft dit een sobere of serene uitstraling. Het voorzien van rechte of open ruimtes had als opzet de woon- en leefkwaliteit te verbeteren. Naar gelang het ontwerp werd gebruik gemaakt van zelfs kubistische of asymmetrische indelingen om eigenheid te creëren.

Het toepassen van onder meer een stalen skeletbouw, ijzeren pilaren en beton was begin twintigste eeuw een nieuw gegeven. Hierdoor konden binnenmuren worden weggelaten, buitenmuren werden voorzien van grote raampartijen. Zadeldaken, schoorstenen en donkere gevels werden vervangen door pleisterwerk, glas- en metaalconstructies. Vloer werd vervaardigd uit beton of kunststoffen zoals linoleum. 

De visie van het functionalisme houdt in dat de vorm van een gebouw bepaald wordt door diens functie. Het functionele karakter van een gebouw heeft dus voorrang op het uitzicht. Daarbij waren lucht, licht en zicht bepalend bij het visuele eindresultaat van een ontwerp. 

Het interbellum als bloeiperiode

De nieuwe architectuur vindt begin 20e eeuw haar ingang in België
Ontwerp van industriewijk 'Klein Rusland' in Zelzate, door Louis Van der Swaelman en Huib Hoste, 1921-1923. Sint-Lukasarchief, Brussel.

Paradoxaal genoeg bood de verwoesting van het land tijdens Wereldoorlog I nieuwe mogelijkheden. Tijdens de oorlog bereidde de overheid de wederopbouw voor en verscherpte zij de normen voor de stadsontwikkeling. Het modernisme zou echter geen grote stempel drukken op de wederopbouw van België. De kunststeden werden heropgebouwd, met hun historische kernen in ere hersteld. Voornamelijk nieuwe en sociale bouwprojecten werden door modernisten gerealiseerd. Een jaar na de wapenstilstand stemde een regering van nationale eenheid een wet goed die openbare tussenkomst in sociale woningbouw mogelijk maakte. De vraag naar goedkope volkswoningen was immers groot, maar privé-initiatieven bleven uit. Daarom begon de overheid vanaf 1920 bouwwerken in harde materialen op te trekken. 

Doorheen het interbellum werd regelmatig voor de modernistische architecten gekozen bij de bouw van woonwijken en stadscentra of bij de ontwikkeling van stedenbouwkundige gehelen. Vooral in progressieve en intellectuele kringen werd het modernisme goed onthaald. Zo realiseerden onder meer Brussels stedenbouwkundige Louis Van der Swaelmen en Brugs architect Huib Hoste verschillende cités en tuinwijken in België. Gelijkaardige projecten zouden doorheen het hele land volgen, met wisselende successen. Meer en meer zouden ook villawoningen en openbare gebouwen volgens de modernistische principes worden opgetrokken. Voorbeelden zijn onder meer de Universiteitsbibliotheek met campus in Gent, de Hoge Zeevaartschool en de Boerentoren in Antwerpen of Woning Haegens in Zele. Architecten zoals Huib Hoste, Léon Stynen en Henry van de Velde waren vooraanstaande figuren binnen het Belgische modernisme.

 

Stijlen, invloeden en uitwisseling

Het modernisme was een multidisciplinaire beweging. Architecten waren vaak nog kundig op andere domeinen, of werkten nauw samen met specialisten in aansluitende vakgebieden. Zo hebben schilders en dichters zoals Jozef Peeters en Paul Van Ostaijen via de avant-garde beweging invloed gehad op tijdgenoten Eduard van Steenbergen en Huib Hoste. Zij maakten bv. deel uit van de kring Moderne Kunst, die evenementen organiseerde waar diverse experten werden samengebracht. Via internationale congressen en tijdschriften wisselden zij opinies en theorieën uit. Zo ontstonden collectieven en sub-stromingen binnenin het modernisme die verschillende ideeën of stijlen aanhingen. In België waren onder meer 7 Arts (1922-1928) en La Cité (1930-1935) gerenommeerde vakbladen. Dit laatste tijdschrift zag de “stad van de toekomst” in haar totaliteit als een sociale en moderne kunstvorm. 

De Frans-Zwitserse architect Le Corbusier had wereldwijd zijn stempel gedrukt op de vernieuwde architectuur en kende ook fervente aanhangers in België, waaronder Gaston Eysselinck. Eysselinck’s oeuvre wordt gekenmerkt door functionele vormgeving en de aanwezigheid van witte gevelmuren. Naast Le Corbusier was Nederland ook een voorbeeld, met haar Amsterdamse School en architecten als Willem Dudok. Typerend voor deze Amsterdamse School was het gebruik van baksteen en expressionele vormen, die ook de Belgische architecten Huib Hoste en Stan Leurs hebben beïnvloed. Een andere Nederlandse kunstbeweging genaamd ‘De Stijl’ oefende invloed uit op onze architectuur. Belangrijkste leden van deze beweging waren schilders Theo van Doesburg en Piet Mondriaan. Het hoeft je dan ook niet te verbazen dat ‘De Stijl’ qua architectuur geïnspireerd werd door het kubisme en abstracte vormen en lijnen verkoos.

 

Woning René Guiette in Antwerpen, 1925-1926, door Le Corbusier.

Charles Edouard Jeanneret, beter gekend als Le Corbusier, publiceerde in 1923 het boek 'Vers une architecture'. Hierin stelde hij een nieuwe bouwkunst voor die paste in een gemechaniseerd tijdperk. Hij stipte drie kernbegrippen aan die kenmerkend zouden zijn voor de modernistische architectuur: bouwmassa ('le volume'), vlakken ('le surface') en plattegrond ('le plan'). Hij stond voor een strakke functionele vormgeving. Zijn utopische visie op zowel architectuur en stadsplanning leverde hem zowel lof als kritiek op.
Le Corbusier (1887-1965)
Architect en stadsplanner

Naoorlogse modernisme

Van het modernisme naar het postmodernisme vanaf de jaren '50

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een tegenstelling binnen de modernistische visie. Vanaf de jaren ’50 kwam er een beweging op die kritiek uitte op het pure vormelijke functionalisme, dat ook gekend is als de ‘Internationale Stijl’. Deze stroming maakte terug gebruik van decoratieve elementen binnen de modernistische architectuur. De strakke vormgeving en het ontbreken van ornamenten werd door hen immers als zielloos en te gelijkvormig bestempeld. Ook binnen andere kunstvormen rees dezelfde trend. Dit resulteerde uiteindelijk in het postmodernisme, dat vooral vanaf de jaren ’80 uitgroeide en gezien werd als een bredere cultuurstroming te onderscheiden van het modernisme. In België bleef de modernistische architectuur gebruikelijk tot de jaren ’70.